Op een willekeurige zondagochtend hoef je in Nederland niet lang te zoeken naar een hardloper. In het bos, langs het kanaal, door een woonwijk of over een fietspad: overal lopen mensen zonder dat iemand daarvan opkijkt. Ze zijn niet op weg naar hun werk, er zit niemand achter hen aan en de meesten proberen ook niet ergens als eerste te arriveren.

Ze lopen omdat ze willen lopen.

Dat klinkt vanzelfsprekend. Maar historisch gezien is het dat helemaal niet. Gedurende een groot deel van de twintigste eeuw hoorde hardlopen vooral bij de georganiseerde atletiek. Je liep op de baan, in een cross of in een wedstrijd op de weg. Hardlopen kon ook onderdeel zijn van de conditietraining voor een andere sport, maar zomaar de voordeur achter je dichttrekken om een halfuur te gaan lopen voor je gezondheid of omdat je het prettig vond, was veel minder gebruikelijk.

De recreatieve hardloper zoals wij die nu kennen moest eigenlijk nog worden uitgevonden.

Hardlopen hoorde bij de atletiek

De socioloog Ruud Stokvis onderzocht hoe hardlopen in Nederland een populaire vrijetijdsbesteding werd. In zijn onderzoek De popularisering van het hardlopen beschrijft hij hoe hardlopen gedurende een groot deel van de twintigste eeuw vooral binnen de georganiseerde sport plaatsvond.

Een aardig detail komt uit de Sportnota van 1958. Daarin werd wel gesproken over Nederlanders die buiten een vereniging aan sport deden. Kanoën, tennis, volleybal, wandelen, zeilen en zwemmen werden genoemd. Hardlopers blijkbaar niet. Als afzonderlijke groep vielen zij eenvoudigweg nog niet voldoende op.

Dat betekent niet dat niemand voor zijn plezier liep. Natuurlijk gebeurde dat wel. Maar het was nog geen breed herkenbaar maatschappelijk verschijnsel.

Dat begon in de jaren zestig te veranderen.

De prestatieloop komt eraan

Een van de interessante ontwikkelingen vond plaats voordat Nederland massaal kennismaakte met het woord trimmen. Atletiekverenigingen begonnen evenementen te organiseren waaraan niet alleen de traditionele wedstrijdatleet kon deelnemen.

Een vroeg voorbeeld vinden we in Rotterdam. De atletiekvereniging Metro organiseerde in de winter van 1966/1967 de eerste van haar bekende prestatielopen. De vereniging mocht daarvoor voorafgaand aan de wielerronde van Het Vrije Volk het bestaande parcours gebruiken. Het leverde Metro niet alleen een route op, maar ook publiek en publiciteit.

Het woord prestatieloop is veelzeggend. Het ging nog steeds om een prestatie, maar niet noodzakelijk om winnen. Een afstand volbrengen kon op zichzelf al het doel zijn.

Daarmee ontstond iets tussen de officiële atletiekwedstrijd en het individuele trainingsrondje in.

Later zouden juist zulke prestatielopen duizenden deelnemers trekken. Stokvis noemt bijvoorbeeld de strandloop van AAC, die tussen 1975 en 1982 haar grootste jaren beleefde. Op het hoogtepunt deden er ongeveer 8.500 mensen mee.

De hardloper begon de atletiekbaan te verlaten.

Trim U Fit

Een tweede belangrijke ontwikkeling kwam niet rechtstreeks uit de atletiek, maar uit de groeiende aandacht voor gezondheid en lichaamsbeweging.

In 1968 stond Wim de Heer als medewerker van de Nederlandse Sport Federatie aan de basis van Trim U Fit. De grote publiekscampagne kwam in 1969 op gang. De boodschap was eenvoudig: bewegen was niet alleen iets voor wedstrijdsporters. Iedereen kon iets aan zijn conditie doen.

Dat was destijds vernieuwender dan het nu klinkt.

De Heer liep zelf hard en vertelde later dat hij onderweg opmerkingen naar zijn hoofd kreeg. Een volwassen man die zonder duidelijk doel over de openbare weg rende, was nog iets waar mensen naar keken.

Door heel Nederland verschenen trimbanen en trimgroepen. Het Nationaal Archief bewaart nog altijd het materiaal dat de Nederlandse Sport Federatie daarvoor maakte. De titels alleen al vertellen iets over de omvang van de beweging: Trimmen ook voor u, Trimmen thuis, Trimmen met het hele gezin en zelfs Trimmen en de automobilist.

In 1971 organiseerden de Nederlandse Sport Federatie en de Duitse Sportbund bovendien de internationale conferentie Trim in Europe.

Trimmen was een begrip geworden.

Maar trimmen betekende nog niet automatisch hardlopen. Het begrip omvatte allerlei vormen van conditietraining. Dat is belangrijk, want achteraf is het verleidelijk om iedere trimmer uit 1970 tot hardloper te promoveren. Zo eenvoudig ligt het niet.

Jogging komt uit het buitenland

Ondertussen voltrok zich aan de andere kant van de wereld een ontwikkeling die uiteindelijk ook Nederland zou bereiken.

De Nieuw-Zeelandse trainer Arthur Lydiard was beroemd vanwege zijn succesvolle midden- en langeafstandslopers, maar hij zag ook mogelijkheden voor mensen die helemaal geen topatleet wilden worden. In Auckland ontstond begin jaren zestig een jogginggroep waarin mannen van uiteenlopende leeftijden gezamenlijk liepen om hun lichamelijke conditie te verbeteren.

Het bijzondere was dat de onderlinge wedstrijd eruit werd gehaald. De bedoeling was het rondje te volbrengen, niet om degene naast je te verslaan.

De Amerikaanse atletiekcoach Bill Bowerman maakte tijdens een bezoek aan Nieuw-Zeeland kennis met deze manier van lopen. Terug in Oregon hielp hij het idee verder verspreiden. In 1963 verscheen daar een eenvoudig Joggers Manual. De beginnende jogger moest korte stukjes lopen, wandelen tot de ademhaling weer rustig was en vervolgens opnieuw beginnen.

Eigenlijk klinkt het verrassend modern.

Het joggen werd in de Verenigde Staten onderdeel van een veel grotere belangstelling voor lichamelijke fitheid. In de jaren zeventig groeide het uit tot een massaal verschijnsel en de invloed daarvan bereikte ook Europa.

Van trimmen naar hardlopen

In Nederland kwamen verschillende ontwikkelingen bij elkaar. Er waren atletiekverenigingen en prestatielopen. Er was de trimbeweging. Er kwamen trimbanen en loopgroepen. Vanuit het buitenland kwam het joggen overwaaien. En steeds meer mensen ontdekten dat je geen wedstrijdatleet hoefde te zijn om te mogen lopen.

Zelfs de statistieken hadden enige tijd nodig om te begrijpen wat er gebeurde.

In onderzoek uit het begin van de jaren zeventig kwam hardlopen nog niet duidelijk als afzonderlijke recreatieve activiteit naar voren. In 1979 werd trimmen/joggen in onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau inmiddels door 8,1 procent van de bevolking genoemd. Latere onderzoeken gebruikten weer andere definities, waardoor percentages niet zonder meer met elkaar kunnen worden vergeleken.

Maar de richting is duidelijk.

Er was een nieuw soort sporter ontstaan.

Niet noodzakelijk een atleet.

Een loper.

En toen werd ik er zelf een

Van deze geschiedenis wist ik niets toen ik in 1985 begon te lopen.

Ik voetbalde. Keeper. Met 108 kilogram schoon aan de haak stond ik op zondagochtend om tien uur onder de lat bij het tweede elftal van een club die, laat ik het vriendelijk zeggen, in de kelderdivisie van het amateurvoetbal opereerde.

Tijdens de halve van Bergen (NH) 1988
Jans (startnummer 452) tijdens de halve van Bergen (NH) 1988 · Foto: fotograaf onbekend
Ik was ook reservekeeper van het eerste.

Dat betekende dat ik na mijn eigen wedstrijd regelmatig snel met de voorzitter of trainer meeging naar het eerste elftal, om daar vervolgens de gehele wedstrijd vanaf de reservebank te bekijken.

Na een paar jaar begon dat te vervelen. Ik vroeg de trainer of ik misschien eens minuten in het eerste mocht maken.

Zijn antwoord kwam er ongeveer op neer dat ik goed keepte, maar iets te zwaar was. Daar moest ik eerst maar eens iets aan doen.

Achteraf had hij natuurlijk ook gewoon kunnen zeggen dat ik niet goed genoeg was.

Dus probeerde ik te gaan joggen.

Een halfuur hardlopen

Met een zwager ondernam ik de eerste pogingen. Het plan was om een halfuur te lopen.

Dat halfuur werd in werkelijkheid een paar minuten hardlopen, gevolgd door wandelen, nog een stukje proberen en daarna spierpijn.

Veel spierpijn.

Toen kwam in de winter van 1985 Henk Herszcowicz in beeld. Henk was een aangewaaid familielid en een ervaren hardloper. Hij vroeg mij hem vanuit Utrecht naar een halve marathon in Landsmeer te brengen, zodat hij de hele rit niet alleen heen en terug hoefde te rijden.

Henk was geen doorsnee recreant. Hij had bij Phoenix gelopen en in de clubrecords van die vereniging staat hij nog altijd met sterke veteranenprestaties. In 1981 liep hij als M50 de marathon van Leiden in 2:46:00 en 25 kilometer in Eersel in 1:40:50. Rond de tijd dat ik met hem begon te lopen, was hij, voor zover ik mij herinner, aangesloten bij Veteranen Nederland.

Ik zag hem die halve marathon behoorlijk voorin finishen en dacht:

Dat moet ik toch ook kunnen?

Die gedachte heeft vermoedelijk aan de basis gestaan van meer onverstandige hardloopcarrières.

Achter Henk aan

Diezelfde avond liep ik met hem mee.

Henk had die dag een halve marathon gelopen en gebruikte onze drie kilometer als herstel. Voor mij waren diezelfde drie kilometer een volwaardige training.

Maar het beviel.

Van Start to Run had nog nooit iemand gehoord en van de Methode Verheul wist ik helemaal niets. Henk kende Verheul wel. Hij gebruikte er elementen van, vooral de vlottere stukken, maar trainde niet volgens de methode zoals ik die later zou leren kennen. Zijn herstel was korter en hij liep veel duurlopen.

Belangrijker was dat hij geduld had.

Hij kon zelf veel harder lopen dan ik, maar vond het blijkbaar geen probleem om met een beginnende loper mee te sjokken.

De eerste week liep ik iedere avond. Drie kilometer, vier kilometer en zelfs vijf kilometer. Tenminste, dat maakte Henk ervan. Een GPS-horloge dat zijn metingen kon controleren hadden we niet.

Na een week stond ik aan de start van de Februariloop in Bennekom.

Niet voorbij Jan!

Daar stond ook een bekende van Henk aan de start: Jan van Ginkel, voormalig Nederlands kampioen op de marathon. Jan zou twee ronden van zes kilometer lopen.

Henk gaf mij voor mijn eerste prestatieloop een glasheldere tactische opdracht mee:

Blijf achter Jan. Niet eraan voorbijgaan.

Dat laatste is uitstekend gelukt.

Ik heb Jan bij de start gezien en later weer bij de finish.

De zes kilometer liep ik in ongeveer dertig minuten.

Daarna gingen de avondloopjes gewoon verder.

Van zes kilometer naar een halve marathon

In mijn oude schriftje staat vervolgens: Gouda, 10 kilometer, 50:53. Een datum schreef ik er niet bij. Ik noteerde in die tijd lang niet alles.

Het moet ongeveer in mijn tweede loopweek zijn geweest.

In de derde week liep ik al een halve marathon. Die ging in Kamerik over een parcours richting Woerden en terug, en dat tweemaal.

Mijn tijd: ongeveer 1 uur en 37 minuten.

Drie weken eerder was drie kilometer achter Henk aan nog een serieuze opgave geweest.

Wie tegenwoordig een beginnerscursus hardlopen geeft, zal inmiddels vermoedelijk met enige verbazing zitten lezen.

En terecht.

Het was te veel, te snel en te hard opgebouwd. Van vrijwel niets naar dagelijks lopen, na een week zes kilometer, vervolgens tien kilometer en in de derde week een halve marathon is geen trainingsopbouw die ik iemand zou aanraden.

Gelukkig gaf ik niet op.

Ik ging het rustiger aanpakken en werd lid van BAV in Baarn. De vereniging waar ook Jan van Ginkel liep.

En het voetbal?

Dat hield nog even stand.

Een seizoen later keepte ik nog altijd in het tweede en zat ik nog altijd als reservekeeper bij het eerste.

Mijn hardloopcarrière ontwikkelde zich duidelijk sneller dan mijn voetbalcarrière.

Uiteindelijk liep een tegenstander tijdens een wedstrijd op mij door. Ik hield er gekneusde ribben aan over en kon daardoor een tijd niet hardlopen.

Juist toen ontdekte ik hoeveel ik het lopen inmiddels miste.

Ik stopte met voetballen.

Met hardlopen niet.

Henk

Van Henk heb ik later het contact verloren. Of hij nog leeft, weet ik niet en daarom wil ik daar ook niets over beweren.

Wat ik wel weet, is dat ik hem nog altijd dankbaar ben.

Niet omdat zijn trainingsopbouw voor mij achteraf zo verstandig was. Dat was hij bepaald niet. Maar Henk deed iets wat misschien nog belangrijker was: hij nam een beginner serieus.

Een man die zelf een marathon in 2:46 had gelopen, paste zijn tempo aan een keeper van 108 kilo aan. Hij liep met mij mee, moedigde me aan en liet me kennismaken met een wereld waarvan ik nauwelijks wist dat die bestond.

Prestatielopen, atletiekverenigingen, andere lopers, tijden, afstanden, trainingen.

Henk maakte van mij een beginner.

De rest kwam later.

Van vreemde bezigheid naar de gewoonste zaak van de wereld

Mijn begin in 1985 bewijst natuurlijk niet hoe iedere Nederlandse recreatieve hardloper in die tijd begon. Het is één persoonlijk verhaal.

Maar het laat wel zien hoeveel er in de twintig jaar daarvoor veranderd was.

Toen Metro in 1966 en 1967 zijn vroege prestatielopen organiseerde, stond de recreatieve loopcultuur nog in de kinderschoenen. In 1968 en 1969 moest Trim U Fit Nederlanders nog overtuigen dat bewegen buiten de traditionele sportvereniging heel normaal kon zijn.

In 1985 kon ik binnen enkele weken drie verschillende loopevenementen vinden. Ik hoefde geen ervaren wedstrijdatleet te zijn om aan de start te mogen verschijnen. Er waren andere recreatieve lopers, veteranen, prestatielopen en atletiekverenigingen waar iemand als ik aansluiting kon vinden.

De infrastructuur van het recreatieve hardlopen bestond inmiddels.

Daarna ging de ontwikkeling verder. Grote stadsmarathons trokken steeds meer gewone lopers. Er kwamen gespecialiseerde hardloopwinkels, loopschoenen voor ieder type loper, loopgroepen en beginnersprogramma's. Later volgden GPS-horloges, trainingsapps en Strava.

Maar misschien is de grootste verandering veel eenvoudiger.

We zijn het normaal gaan vinden.

Niemand vraagt zich tegenwoordig af waarom iemand op zondagochtend zonder aanwijsbare bestemming door het dorp loopt. Je hoeft geen wedstrijd te hebben. Je hoeft geen lid te zijn van een atletiekvereniging. Je hoeft niet eens sneller te willen worden.

Je mag gewoon lopen omdat je graag loopt.

Dat is misschien wel het moment waarop hardlopen werkelijk een hobby werd.

En ergens in februari 1985 werd het de mijne.

Over de bronnen

Ruud Stokvis, De popularisering van het hardlopen. Over de ontwikkeling van hardlopen van georganiseerde atletiek naar populaire recreatiesport en de groei van trimmen, joggen en prestatielopen in Nederland.
De popularisering van het hardlopen

Sportgeschiedenis.nl, De grote vraag na vijftig jaar beweegcampagnes: hoe bereiken we de doelgroep? Over Wim de Heer, de Nederlandse Sport Federatie en het ontstaan van Trim U Fit in 1968.
Sportgeschiedenis.nl

Nationaal Archief, archief Nederlandse Sport Federatie. Onder meer materiaal over Trim U Fit, trimmen in Nederland en de internationale conferentie Trim in Europe uit 1971.
Nationaal Archief

Rotterdam Atletiek, historische documentatie over atletiekvereniging Metro. Hierin wordt onder meer het ontstaan van de Metro-prestatielopen in de winter van 1966/1967 beschreven.
Historie Metro

Atletiekvereniging Phoenix, historische clubrecords. Henk Herszcowicz staat vermeld met onder meer 2:46:00 op de marathon van Leiden en 1:40:50 op 25 kilometer in Eersel, beide uit 1981.
Clubrecords AV Phoenix

Historisch onderzoek naar de vroege joggingbeweging rond Arthur Lydiard en Bill Bowerman, waaronder de ontwikkeling van jogging in Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten en het verschijnen van de Joggers Manual in 1963.
The Evolution of Distance Running

Persoonlijke bron: herinneringen van Jans Mulder aan zijn eerste hardloopweken in 1985 en een bewaard trainingsschriftje met onder meer de vermelding: Gouda, 10 km, 50:53. De exacte datum van deze wedstrijd is niet genoteerd. De genoemde halve marathon in Kamerik en de eerste Februariloop in Bennekom zijn gebaseerd op persoonlijke herinneringen; de oorspronkelijke uitslagen zijn voor dit artikel niet teruggevonden.