Soms kom je cijfers uit je eigen verleden tegen die bijna bij iemand anders lijken te horen.
11,63 op de 100 meter. 3.56,13 op de 1500 meter. 14.41 op de 5 kilometer. 30.29 op de 10 kilometer. Een halve marathon in 1.07,23 en een marathon in 2.31,04.
Het zijn mijn persoonlijke records. Tijden van lang geleden, uit een periode waarin hardlopen een groot deel van mijn leven bepaalde. Ik kende die tijden natuurlijk nog wel, maar wanneer ik ze nu allemaal onder elkaar zie staan, kijk ik er anders naar dan destijds.
Toen was een persoonlijk record vooral iets dat verbeterd moest worden. Nu vertellen die cijfers mij een verhaal.
Van harde tempo's naar Verheul
Mijn snelste tijden op de 100 en 200 meter stammen nog uit mijn periode bij BAV in Baarn, eind jaren tachtig en begin jaren negentig. Daar trainden we behoorlijk stevige tempo's. Ik sprintte af en toe in competitieverband, liep estafettes en bij instuifwedstrijden en stootte zelfs kogel. Mijn beste afstand daarbij was 11,09 meter.
Ik was dus zeker niet uitsluitend een langeafstandsloper.
Later veranderde mijn manier van trainen behoorlijk. Ik maakte kennis met de Methode Verheul en stapte over op een trainingsvorm waarin veel werd gewerkt met herhalingen over relatief korte afstanden, met ruime herstelpauzes. Niet iedere training hoefde zwaar te zijn om effect te hebben. Dat was voor mij destijds een wezenlijk andere benadering van hardlopen.
Het bijzondere is dat het grootste deel van mijn persoonlijke records uit juist die periode stamt.
Dat maakt die oude tijden voor mij nu interessanter dan alleen als rijtje prestaties. Ze vormen ook een persoonlijk stukje geschiedenis van mijn ervaringen met de Methode Verheul.
Mijn persoonlijke records op de baan
Op de baan liep ik uiteindelijk de volgende besttijden:
- 100 meter: 11,63
- 200 meter: 24,28
- 800 meter: 2.04,18
- 1000 meter: 2.38,02
- 1500 meter: 3.56,13
- 3000 meter: 8.31,02
- 5000 meter: 14.48,13
- 10.000 meter: 30.55,07
Een 400 meter ontbreekt. Heel eenvoudig, omdat ik die afstand nooit officieel in wedstrijdverband heb gelopen. Hetzelfde geldt voor de Engelse mijl.
Mijn beste baanprestaties liep ik in België, Frankrijk en Duitsland. In die jaren was ik tevens lid van het Waalse CS Dyle Genappe.
Van 5 kilometer tot marathon
Ook op de weg kwam ik uiteindelijk op een behoorlijk breed scala aan afstanden uit:
- 5 kilometer: 14.41
- 10 kilometer: 30.29
- 15 kilometer: 47.03
- 10 Engelse mijl: 50.57
- 20 kilometer: 1.04,01
- halve marathon: 1.07,23
- 25 kilometer: 1.23,07
- 30 kilometer: 1.41,16
- marathon: 2.31,04
Opvallend genoeg liep ik van al deze persoonlijke records alleen mijn beste 30 kilometer op Nederlandse bodem. De andere tijden kwamen tot stand in Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en België.
Mijn snelste 5 kilometer op de weg, 14.41, was bovendien geen gewone wedstrijd waarin ik mij aan andere lopers kon optrekken. Het was een tijdloop waarin ik de afstand geheel alleen aflegde, eigenlijk zoals een wielrenner een individuele tijdrit rijdt.
Mijn op een na snelste 5 kilometer liep ik wel in een normale wedstrijd. Die ging in 14.44, slechts drie seconden langzamer.
Een tijd zegt niet alles
Wie alleen naar zo'n lijst kijkt, ziet vooral getallen. Voor mij zitten er trainingen, wedstrijden, reizen en mensen achter.
Ik herinner me bijvoorbeeld nog goed hoe anders trainen volgens Verheul voor mij voelde. Mijn eerste baantraining volgens die methode bestond uit vijftien keer 200 meter in ongeveer 57 tot 58 seconden, telkens met 200 meter herstel. Dat voelde bijna onvoorstelbaar rustig tegenover de harde tempotrainingen die ik gewend was.
Toch bleef ik die 200 meters wekenlang lopen. Niet voortdurend sneller, niet iedere training proberen te bewijzen hoe goed ik was, maar gecontroleerd trainen en herstellen.
Juist daarin zat voor mij uiteindelijk een belangrijke les.
Een training hoeft niet spectaculair te zijn om je beter te maken.
Meer dan nostalgie
Ik kijk niet naar deze tijden met het idee dat vroeger alles beter was. Daarvoor is er in de trainingsleer en in onze kennis over het menselijk lichaam sindsdien te veel veranderd.
Maar ik vind het wel interessant om terug te kijken naar wat voor mij werkte.
Waarom kon ik in die periode sneller lopen? Welke rol speelde de manier waarop ik trainde? Wat deed het vele herstel? Waarom hoefden trainingen niet voortdurend sneller te gaan? En hoe keek Herman Verheul eigenlijk naar individuele atleten en naar het aanpassen van hun trainingen?
Dat zijn precies de vragen die mij nu opnieuw bezighouden.
Daarom staan mijn oude persoonlijke records wat mij betreft niet alleen op LoopMee om te laten zien hoe snel ik ooit kon lopen. Ze vormen ook een vertrekpunt voor het onderzoek dat ik tegenwoordig doe naar de Methode Verheul.
Achter 30.29 op de 10 kilometer zit uiteindelijk veel meer dan 30 minuten en 29 seconden hardlopen.
Daarachter zitten jaren van trainen, zoeken, fouten maken, aanpassen en ontdekken.
En misschien is juist dat, zoveel jaren later, interessanter dan het persoonlijke record zelf.
Dit artikel is een persoonlijk verhaal en is grotendeels gebaseerd op mijn eigen herinneringen aan mijn jaren als wedstrijdloper en mijn trainingen volgens de Methode Verheul.
Mijn persoonlijke records en enkele gegevens over de wedstrijden waarin deze tot stand kwamen, publiceerde ik eerder op mijn persoonlijke website:
Jans Mulder, Mijn persoonlijke records van lang geleden
Jans Mulder, Hoe ik hardloper werd
De herinneringen aan trainingen, verenigingen en mijn ervaringen met de Methode Verheul zijn persoonlijke herinneringen. Waar op LoopMee.nl historische of trainingsinhoudelijke conclusies worden getrokken over de Methode Verheul, worden deze afzonderlijk onderbouwd met historische en andere beschikbare bronnen.
