Op 4 december 1959 werd in Utrecht een nieuwe atletiekvereniging opgericht. Phoenix heette ze. Een aantal leden van Hermes had daar niet voldoende ruimte ervaren om zich op hun eigen manier te ontwikkelen en begon daarom een nieuwe vereniging.

Onder hen bevond zich Herman Verheul.

Het is verleidelijk om daar achteraf meteen een mooi verhaal van te maken. Alsof Phoenix werd opgericht om de revolutionaire trainingsmethode van Verheul eindelijk alle ruimte te geven. De werkelijkheid was minder eenvoudig. De naam Methode Verheul bestond nog niet eens.

Maar de manier waarop Verheul over trainen dacht, begon zich wel degelijk te onderscheiden.

Dat gebeurde bovendien in een interessante periode. De internationale afstandsatletiek veranderde snel. Trainers experimenteerden met intervaltraining, grote trainingsvolumes, fartlek en duurtraining. Succesvolle coaches en atleten lieten zien dat er meer dan één weg naar een snelle 5000 of 10.000 meter bestond.

En ergens in Utrecht koos Herman Verheul steeds nadrukkelijker zijn eigen weg.

Intervaltraining was niet nieuw

Om Verheul goed te begrijpen, moeten we eerst één misverstand uit de weg ruimen. Hij heeft de intervaltraining niet uitgevonden.

Lang voordat Phoenix bestond, werd er al met afwisselende perioden van inspanning en herstel gewerkt. De Duitse trainer Woldemar Gerschler werd beroemd met zijn intervaltrainingen. Emil Zátopek liep enorme aantallen korte herhalingen. De Hongaar Mihály Iglói ontwikkelde een trainingswijze waarin veel verschillende tempo's en afstanden werden gecombineerd.

Herman Lenferink plaatst de Methode Verheul dan ook nadrukkelijk in die internationale intervaltraditie.

Maar Verheul nam haar niet simpelweg over.

Hij veranderde iets wezenlijks. Volgens Lenferink matigde Verheul zowel het volume als het tempo van de intervaltraining. Tegelijkertijd besteedde hij juist meer aandacht aan gymnastiek. De snelle stukken moesten soepel en ontspannen worden gelopen en het herstel was opvallend ruim.

Daarmee verschoof het accent.

Een intervaltraining hoefde niet zo zwaar mogelijk te zijn om een goede training te zijn. De kwaliteit van de beweging en het vermogen om opnieuw te kunnen trainen werden minstens zo belangrijk.

Een uitgangspunt dat Verheul ontleende aan Iglói paste daar uitstekend bij: train vandaag niet zo zwaar dat je morgen nog onvoldoende bent hersteld.

En ondertussen veranderde de duurtraining

Er gebeurde internationaal nog iets anders.

De Nieuw-Zeelandse trainer Arthur Lydiard kreeg vanaf het einde van de jaren vijftig en vooral in de jaren zestig grote invloed op het denken over afstandstraining. In zijn aanpak vormde een omvangrijke aerobe trainingsperiode een belangrijk fundament. Duurlopen kregen daarmee een centrale plaats in een trainingssysteem dat later over de hele wereld invloed zou krijgen.

Dat betekende niet dat iedere Nederlandse trainer plotseling hetzelfde Lydiard-schema gebruikte. Ook binnen de Nederlandse atletiek bestonden verschillende opvattingen en combinaties van duur-, tempo- en intervaltraining.

Klaas Lok beschreef later hoe wedstrijdlopers in zijn tijd vaak een trainingsweek afwerkten met meerdere duurlopen, twee stevige tempotrainingen en regelmatig een wedstrijd. Prestatielopers namen volgens hem vooral de duurlopen over.

Bij Phoenix zag hij iets anders.

Verheul meende dat veel rustige duurtraining de loopbeweging zwaarder kon maken en dat de combinatie van zware tempotrainingen en wedstrijden een atleet te veel kon vermoeien. Hij koos daarom voor ontspannen intervaltraining als een belangrijk onderdeel van de normale trainingsweek.

Daarmee ontstond een opvallend contrast.

Niet tussen intervaltraining en duurtraining alsof er maar twee kampen bestonden, maar tussen verschillende ideeën over de vraag hoe vaak een loper zwaar moest trainen, hoeveel omvang nodig was en hoe belangrijk de kwaliteit van de loopbeweging daarbij moest zijn.

Phoenix krijgt een eigen gezicht

De nieuwe Utrechtse vereniging bewees al snel dat zij sportief bestaansrecht had. Onder leiding van voorzitter en trainer Herman Verheul boekten Phoenix-atleten in de jaren zestig, zeventig en tachtig nationale en soms internationale successen.

Daarmee werd ook de manier waarop zij trainden steeds zichtbaarder.

Toch werd die trainingswijze niet vanaf de oprichting officieel de Methode Verheul genoemd. Een terugblik in het clubblad van Phoenix vat het mooi samen: er werd in de beginperiode eigenlijk al volgens Verheuls ideeën getraind, maar de methode droeg die naam nog niet.

Dat onderscheid is belangrijk.

Trainingsmethoden ontstaan zelden op één middag. Een trainer schrijft niet noodzakelijk eerst een compleet theoretisch systeem op om het daarna jarenlang onveranderd uit te voeren. Ideeën groeien in de praktijk. Er wordt gekeken, geprobeerd, aangepast en opnieuw gekeken.

Bij Verheul lijkt dat eveneens het geval te zijn geweest.

Zijn gymnastiekoefeningen ontwikkelde hij al vanaf de jaren vijftig. Zijn ideeën over ontspannen intervaltraining, herstel en loopbeweging kregen in de praktijk bij Phoenix steeds meer vorm. Atleten trainden ermee, anderen zagen hun manier van lopen en resultaten en gaandeweg ontstond iets dat herkenbaar genoeg werd om een naam te krijgen.

1979: twee Phoenix-lopers vooraan

Een belangrijk moment kwam in 1979.

Bij de Nederlandse veldloopkampioenschappen eindigden Klaas Lok en Joost Borm als eerste en tweede. Volgens de historische beschrijving van Lenferink viel in de kranten niet alleen hun uitslag op. Ook hun soepele en ontspannen manier van lopen werd genoemd.

Dat is voor de geschiedenis van de methode interessant.

Een trainingsfilosofie die veel nadruk legde op souplesse werd zichtbaar in twee succesvolle atleten die juist om hun ontspannen loopstijl werden opgemerkt.

Dat bewijst natuurlijk niet dat hun prestaties uitsluitend door de trainingsmethode van Verheul werden veroorzaakt. Topsportprestaties laten zich nooit zo eenvoudig verklaren. Talent, jaren training, wedstrijdomstandigheden en talloze andere factoren spelen een rol.

Maar voor Phoenix was het wel een krachtig visitekaartje.

En toch hadden de betrokken atleten het gevoel dat er buiten de vereniging maar weinig serieuze belangstelling bestond voor de manier waarop zij trainden.

Een brief uit 1981

Begin 1981 gebeurde daarom iets bijzonders.

Joost Borm, Klaas Lok en Kees van Westerop schreven naar De Atletiekwereld. Hun stuk verscheen onder de titel De Methode Verheul.

Daarin schreven zij dat Phoenix-lopers inmiddels al ruim twintig jaar volgens dezelfde methode trainden en dat de behaalde successen bekend waren. Tegelijkertijd verbaasden zij zich erover dat trainers en de technische rubriek van het atletiekblad er nauwelijks belangstelling voor leken te hebben.

Atleten hadden die belangstelling volgens hen wél. Zij kregen vragen over hun trainingen en zagen dat andere lopers onderdelen ervan begonnen over te nemen.

De brief is achteraf belangrijk omdat de naam hier heel duidelijk naar buiten treedt.

Herman Lenferink zou het stuk veel later zelfs omschrijven als een soort verlate stichtingsakte van de Methode Verheul.

Dat is een mooie gedachte.

Phoenix bestond toen al meer dan twintig jaar. Verheul trainde al decennia atleten. De methode was niet nieuw.

Maar nu kreeg zij een naam.

Een tijd van trainingskampen

Wie oude verhalen van trainers en atleten leest, merkt bovendien dat discussies over trainingsmethoden soms behoorlijk fel konden zijn.

Lenferink spreekt zelfs over een soort richtingenstrijd. Hij haalt herinneringen aan waarin trainers bij andere verenigingen weinig ruimte boden aan iemand die volgens Verheuls methode wilde gaan werken.

Dat betekent niet dat de Nederlandse atletiek netjes verdeeld was in een kamp Verheul en een kamp tegen Verheul. Zo overzichtelijk was het niet. Trainers combineerden ideeën, trainingsmethoden veranderden en succesvolle voorbeelden uit binnen- en buitenland beïnvloedden elkaar voortdurend.

Maar er waren wel degelijk verschillen van inzicht.

Hoeveel moest een afstandsloper trainen? Hoeveel daarvan moest rustige duurtraining zijn? Hoe vaak mocht een training zwaar worden? Welke plaats hadden wedstrijden? Moest je tijdens een intervaltraining vooral het hart en de longen belasten of ook voortdurend letten op de kwaliteit van de beweging?

Verheul gaf op die vragen antwoorden die voldoende afweken om op te vallen.

Anders, maar niet uit het niets

En misschien is dat uiteindelijk de interessantste plaats voor Herman Verheul in de geschiedenis van de looptraining.

Hij werkte niet in een vacuüm.

Voor hem waren er Gerschler, Zátopek en Iglói. Tegelijkertijd kreeg de duurgerichte trainingsopvatting van Lydiard internationaal grote invloed. In Nederland werkten trainers met hun eigen combinaties van duurlopen, intervaltrainingen, tempowerk, fartlek en wedstrijden.

Verheul keek naar die wereld en koos daarbinnen zijn eigen accenten.

Minder nadruk op omvang. Geen voortdurend harde intervaltraining. Lange herstelstukken. Veel aandacht voor gymnastiek. Wedstrijden als de werkelijk zware trainingsprikkel. En steeds opnieuw die aandacht voor ontspannen en soepel lopen.

Pas veel later zouden anderen proberen dat geheel netjes te beschrijven.

Misschien past dat ook wel bij Verheul. Zijn methode begon niet als een theoretisch hoofdstuk in een trainingsboek.

Ze begon op de atletiekbaan.

Met een trainer die keek naar zijn lopers en dacht dat het anders kon.

Over de bronnen

Voor dit artikel is gebruikgemaakt van de historische publicaties van AV Phoenix over de oprichting en ontwikkeling van de vereniging. Phoenix werd op 4 december 1959 opgericht door een groep voormalige leden van de Utrechtse atletiekvereniging Hermes, onder wie Herman Verheul. De beschikbare bronnen laten zien dat Verheuls trainingsopvattingen zich vervolgens binnen Phoenix verder ontwikkelden. De naam Methode Verheul werd pas later algemeen gebruikt.

Voor de plaats van Verheul binnen de internationale trainingsgeschiedenis is vooral gebruikgemaakt van Herman Lenferinks beschrijving The Verheul Method uit 2007, gebaseerd op interviews met Herman Verheul en Lenferinks eerdere artikelen over de methode. Lenferink plaatst Verheul onder meer in de traditie van Emil Zátopek, Woldemar Gerschler en Mihály Iglói, maar beschrijft ook waarin Verheul daarvan afweek.

Een belangrijke primaire bron is daarnaast de bijdrage van Joost Borm, Klaas Lok en Kees van Westerop in De Atletiekwereld van januari 1981, gepubliceerd onder de titel De Methode Verheul. Hun tekst geeft rechtstreeks inzicht in de manier waarop Phoenix-atleten destijds zelf naar hun trainingsmethode en de belangstelling daarvoor keken.

De vergelijking met andere trainingsopvattingen is bewust terughoudend gehouden. De Nederlandse looptraining uit deze periode bestond niet uit twee scherp gescheiden kampen. Trainers combineerden verschillende ideeën en internationale trainingsmethoden ontwikkelden zich eveneens in de loop van de tijd.

Gebruikte bronnen:
AV Phoenix – Phoenix historie in vogelvlucht: De oprichting
AV Phoenix – Phoenix historie in vogelvlucht
Herman Lenferink – The Verheul Method (2007)
AV Phoenix – historische citaten, waaronder De Methode Verheul uit De Atletiekwereld (1981)
Herman Lenferink – Het Phoenix-moment van Herman Lenferink