Vraag een loper die de Methode Verheul een beetje kent waar die methode uit bestaat en de kans is groot dat het antwoord begint met drie afstanden: 200, 400 en 1000 meter.
Dat is begrijpelijk. Vijftien keer 200, tien keer 400 en zes keer 1000 zijn bijna het visitekaartje van Verheul geworden.
Maar wie alleen die afstanden onthoudt, laat een opvallend groot gedeelte van zijn trainingsmethode weg.
Gymnastiek.
Niet als aardige aanvulling wanneer er nog tien minuten trainingstijd over was. Niet als een paar obligate oefeningen voordat het echte werk begon. Bij Herman Verheul hoorde gymnastiek bij de training zelf. In de winter was er zelfs een afzonderlijke avond voor gereserveerd.
Misschien moeten we daarom anders naar die bekende intervallen kijken. Verheul trainde niet alleen het vermogen van zijn atleten om een bepaalde afstand in een bepaalde tijd af te leggen. Hij probeerde ook het lichaam waarmee zij dat deden geschikt te maken voor een soepele loopbeweging.
Eerst moest het lichaam kunnen lopen
In de historische beschrijvingen van de Methode Verheul komt gymnastiek nadrukkelijk naar voren. Herman Lenferink schrijft dat Verheul in vergelijking met andere intervaltradities het volume en tempo van zijn looptrainingen matigde, maar juist meer tijd besteedde aan gymnastiek.
Voor iedere training werden oefeningen gedaan. Daarnaast stond tijdens de winterperiode op maandag een aparte gymnastiektraining op het programma.
Dat zegt nogal wat.
Wie een extra trainingsavond volledig aan gymnastiek besteedt, beschouwt die oefeningen kennelijk niet als bijzaak.
De gedachte erachter was dat de loopbeweging niet alleen door sterke benen wordt bepaald. Het lichaam moet als geheel kunnen meewerken. Een zwakke of slecht gecontroleerde romp kan de beweging van de benen verstoren. Daarom kregen spierversterking, coördinatie en oefeningen voor het hele lichaam een plaats binnen de methode.
AV Phoenix noemt gymnastiek tegenwoordig nog altijd een van de vier basiselementen van de Methode Verheul, naast de souplesse-intervallen, fartlek en wedstrijdplanning.
Dat alleen al maakt duidelijk hoeveel er verloren gaat wanneer we Verheul reduceren tot een schema van intervalafstanden.
Van Kozakkendans naar hardlooptraining
De herkomst van sommige oefeningen is minstens zo bijzonder.
Volgens Herman Lenferink ontwikkelde Verheul veel van zijn gymnastiekoefeningen zelf. Daarbij keek hij onder andere naar circusacrobaten en naar de dans en bewegingen van de Don-Kozakken.
Dat klinkt op het eerste gezicht misschien als een vreemde plaats om inspiratie voor een hardlooptraining te zoeken. Maar Verheul zag bewegingen die kracht, controle en coördinatie vroegen en vertaalde die naar oefeningen die volgens hem bruikbaar waren voor lopers.
Sommige bewegingen werden vertraagd uitgevoerd. Bij andere oefeningen verplaatsten atleten zich op handen en voeten. Verheul wilde bovendien liever bewegingen gebruiken waarbij verschillende spiergroepen tegelijk werkten dan geïsoleerde oefeningen waarbij maar een klein gedeelte van het lichaam werd aangesproken.
Lenferink beschrijft dat Verheul al vanaf de jaren vijftig op deze manier zijn eigen oefenstof ontwikkelde.
Daar moeten we wel voorzichtig mee omgaan. Tegenwoordig zouden we sommige onderdelen waarschijnlijk onder termen als rompstabiliteit, functionele kracht of bewegingscoördinatie plaatsen. Dat betekent niet dat Verheul in de jaren vijftig beschikte over de wetenschappelijke verklaringen die tegenwoordig bij zulke begrippen worden gebruikt.
Hij was vooral een trainer die keek.
En die op basis van wat hij zag oefeningen bedacht waarvan hij vond dat zijn lopers er beter door gingen bewegen.
Een training begon niet bij de eerste 200 meter
Dat herken ik ook uit mijn eigen trainingen bij Herman.
Het inlopen was niet eindeloos. Hooguit een paar rondjes, waarbij het laatste rondje wat flukser mocht. Daarna gingen we het gras op voor de gymnastiek.
En dat gebeurde niet alleen wanneer de zon scheen.
De oefeningen hoorden erbij. Net zoals later de 200, 400 of 1000 meters erbij hoorden. Voor iemand die vooral gewend was een looptraining te beoordelen aan het aantal kilometers en de snelheid waarmee die werden afgelegd, was dat een andere manier van kijken naar trainen.
Ook na het intervalgedeelte was de training nog niet zomaar afgelopen. We liepen ongeveer een kilometer uit over het middenveld. Dat gebeurde geregeld blootsvoets.
Wat mij bovendien is bijgebleven, is hoeveel Herman naar zijn atleten keek. Hij kon ergens op het middenveld staan of in het gras liggen en ondertussen de lopers volgen. Niet alleen hun tijden interesseerden hem. Hij keek naar de manier waarop iemand liep.
Dat past bij de plaats die gymnastiek in zijn methode innam.
Als je ervan overtuigd bent dat een goede loopbeweging belangrijk is, kun je niet alleen voorschrijven hoe snel iemand 400 meter moet lopen. Je moet ook kijken naar het lichaam dat die beweging uitvoert.
Rompstabiliteit voordat we het zo noemden?
Het is verleidelijk om Verheul achteraf een moderne term op te plakken.
Hij deed aan core stability voordat iemand van core stability had gehoord, zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen.
Herman Lenferink trekt die vergelijking ook en beschrijft Verheul als een trainer die al vroeg veel aandacht besteedde aan wat later rompstabiliteit zou worden genoemd. In de huidige beschrijving van de methode bij Phoenix wordt eveneens het belang van een sterke romp voor een effectieve loopbeweging benadrukt.
Maar voor LoopMee is juist enige terughoudendheid interessant.
Dat Verheul oefeningen gebruikte die we tegenwoordig zouden herkennen als vormen van romp- en krachttraining, kunnen we uit de bronnen afleiden. Dat hij daarmee precies dezelfde theoretische uitgangspunten had als moderne trainers die over core stability spreken, kunnen we niet zomaar aannemen.
Daar zit een verschil tussen.
Verheul ontwikkelde zijn trainingswijze grotendeels vanuit de praktijk. Hij observeerde lopers, probeerde oefeningen uit en behield wat volgens hem werkte. Moderne sportwetenschap probeert vervolgens met meetbare gegevens te verklaren welke effecten kracht, coördinatie en rompstabiliteit werkelijk op lopen en blessures hebben.
Dat is een prachtig onderwerp voor een afzonderlijk artikel in Onderzoek & wetenschap.
Maar eerst moeten we begrijpen wat Verheul zelf deed.
De konijnen van Herman
Er bestaat een prachtige anekdote die na zijn overlijden in het clubblad van Phoenix werd opgetekend.
Een bekende atleet zou Herman ooit hebben gevraagd waarom zijn lopers eigenlijk zoveel gymnastiek moesten doen. Konijnen konden immers ook verschrikkelijk hard lopen en die deden toch ook geen gymnastiek?
Het antwoord van Verheul was even eenvoudig als typerend: als konijnen gymnastiek zouden doen, zouden ze nóg harder lopen.
Of het gesprek woordelijk precies zo heeft plaatsgevonden, kunnen we tientallen jaren later natuurlijk niet controleren. Maar de anekdote bleef binnen Phoenix blijkbaar hangen omdat hij iets herkenbaars over Verheul vertelde.
Gymnastiek was voor hem geen tijd die van de looptraining afging.
Het wás looptraining.
Meer dan een rijtje intervalafstanden
En daarmee verandert ook het beeld van de Methode Verheul.
Wie alleen 15 × 200, 10 × 400 en 6 × 1000 overneemt, heeft een paar karakteristieke trainingen van Herman Verheul te pakken. Maar daarmee heb je zijn methode nog niet noodzakelijk begrepen.
Er was het lange herstel tussen de intervallen. Er waren wedstrijden als zware trainingsprikkel. Er was fartlek in het bos. Er was de voortdurende aandacht voor souplesse en loopbeweging.
En er was gymnastiek. Voor de training, in de fartlek en tijdens de winter zelfs op een afzonderlijke trainingsavond.
Misschien is dat wel een van de redenen waarom het zo lastig is om de Methode Verheul in een eenvoudig schema te vangen. Een schema kan vertellen dat je dinsdag vijftien keer 200 meter moet lopen.
Het kan veel moeilijker vertellen hoe je lichaam moet bewegen terwijl je dat doet.
Daarvoor had Herman Verheul geen spreadsheet nodig.
Daarvoor keek hij naar zijn lopers.
Voor de historische beschrijving van de gymnastiek binnen de Methode Verheul is gebruikgemaakt van teksten van Herman Lenferink. Zijn artikel The Verheul Method uit 2007 is gebaseerd op interviews met Herman Verheul en op twee eerdere artikelen die Lenferink in 2005 publiceerde in Pro Loop, Vakblad voor de Looptrainer. Daarin beschrijft hij gymnastiek als een belangrijk onderdeel van Verheuls trainingsopvattingen en vermeldt hij dat tijdens de winter zelfs een afzonderlijke gymnastiektraining werd gehouden.
Voor de achtergrond van de oefeningen is daarnaast gebruikgemaakt van een tekst van Lenferink over de Verheulgymnastiek. Daarin beschrijft hij hoe Verheul vanaf de jaren vijftig eigen oefeningen ontwikkelde en daarbij onder meer inspiratie vond in circusacrobatiek en bewegingen van de Don-Kozakken.
De herinneringen aan het inlopen, de gymnastiek op het gras, het uitlopen over het middenveld en de manier waarop Herman Verheul zijn lopers observeerde, zijn persoonlijke herinneringen van Jans Mulder aan zijn trainingen bij Verheul. Ze worden daarom niet als algemene historische regels van de methode gepresenteerd.
Gebruikte bronnen:
Herman Lenferink – The Verheul Method (AV Phoenix, 2007)
AV Phoenix – Trainingsvisie MiLA-Groep: Methode Verheul
Herman Lenferink – De Verheul methode: achtergrond van de gymnastiekoefeningen
